Een led heeft altijd een weerstand in serie nodig die de stroom begrenst; zonder die voorschakelweerstand brandt hij in een oogwenk door. Kies de voedingsspanning, de kleur van de led en de stroom, en je krijgt de exacte waarde, de dichtstbijzijnde standaardwaarde die je kunt kopen en het vermogen dat de weerstand moet kunnen hebben.
Het werkt ook voor meerdere leds in serie, en je ziet de kleurringen van de weerstand, zodat je hem zo in je onderdelenbak terugvindt.
Zo werkt het
- Kies de voedingsspanning: 3,3 V of 5 V voor een Arduino of ESP32, 12 V voor de auto, de caravan of een ledstrip, of typ je eigen waarde.
- Kies de kleur van de led; die bepaalt de typische doorlaatspanning. Heb je de datasheet, typ dan de exacte waarde.
- Kies de stroom. 20 mA is het klassieke maximum voor 5 mm-leds; voor een indicatieled is 5 tot 10 mA genoeg, en hij gaat er langer mee.
- Gebruik de getoonde standaardwaarde. Die is naar boven afgerond, zodat de stroom gelijk aan of lager dan je keuze blijft.
De formule
R = (voedingsspanning − ledspanning × aantal leds) ÷ stroom. Voor een rode led (2 V) op 20 mA aan 5 V: (5 − 2) ÷ 0,020 = 150 Ω. De weerstand dissipeert (5 − 2) × 0,020 = 0,06 W, dus een gewone weerstand van 1/4 W is ruim genoeg.
Leds in serie en parallel
In serie tellen de ledspanningen op en is één weerstand voor de hele rij genoeg, zolang de voeding hoger is dan het totaal. Parallel krijgt elke led zijn eigen weerstand: leds verdelen de stroom nooit eerlijk, en de led met de laagste spanning trekt het meeste.
Doorlaatspanning per ledkleur
Rood ongeveer 2,0 V, oranje en geel 2,1 V, klassiek groen 2,2 V; blauw, wit en fel groen 3,0 tot 3,4 V; infrarood 1,2 tot 1,5 V; uv rond 3,4 V. Dit verschilt per fabrikant, dus de datasheet heeft altijd het laatste woord.